HOOFDSTUKKEN
5.8 Meldcode huiselijk geweld en zedenmisdrijven
De school streeft ernaar een veilige leeromgeving te bieden waarin leerlingen zich beschermd voelen en waarin signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling vroegtijdig worden herkend en adequaat worden opgevolgd. De meldcode wordt ingezet als instrument om medewerkers te ondersteunen bij het zorgvuldig en professioneel handelen bij vermoedens van onveiligheid thuis.
Beoogd resultaat
- Verhoogde alertheid en deskundigheid onder medewerkers in het herkennen van signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling;
- Eenduidige en zorgvuldige werkwijze bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling;
- Snelle en passende hulpverlening aan leerlingen in onveilige thuissituaties;
- Versterking van samenwerking met externe partners zoals Veilig Thuis;
- Vertrouwen van ouders en leerlingen in de zorgstructuur van de school.
Evaluatie van de toepassing
De toepassing van de meldcode wordt systematisch geëvalueerd, bijvoorbeeld:
- Casus-evaluatie na een melding: de schoolleiding bespreekt met betrokkenen wat goed ging en wat beter kan.
- Reflectie: hoe is het proces ervaren, waren er obstakels, is er behoefte aan nazorg?
- Registratie van meldingen (geanonimiseerd) om trends en verbeterpunten te signaleren. Deze worden centraal vastgelegd door de OCO’s en jaarlijks geëvalueerd. Hier kan, naar aanleiding van eventuele trend en signalen, de samenwerking met gemeenten of specialisten worden opgezocht.
- Aanpassing van procedures op basis van evaluatie-uitkomsten.
- Terugkoppeling van Veilig Thuis wordt meegenomen in de beoordeling van effectiviteit.
Meldcode kindermishandeling
De wet Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling verplicht beroepskrachten, ook onderwijspersoneel, om een vijfstappenplan te gebruiken als ze het vermoeden hebben van kindermishandeling en/of huiselijk geweld. Deze wet bestaat al sinds 2013. Het Dongemond college volgt de meldcode voor kindermishandeling. Als er een vermoeden van kindermishandeling is, worden de volgende stappen gevolgd:
Stap 1: Het in kaart brengen van de signalen
Docenten en ondersteunend personeel geven een signaal door aan de mentor.
Stap 2: Overleg met deskundige collega’s
De mentor bespreekt de situatie met de teamleider en de ondersteuningscoördinator.
Stap 3: Het gesprek met de ouder(s)/verzorger(s) van het kind
De ondersteuningscoördinator nodigt de leerling en zijn/haar ouder(s)/verzorger(s) uit voor een gesprek. Dit gesprek vindt plaats met de leerling, de ouders/verzorgers, de teamleider en de ondersteuningscoördinator. Het doel is om meer informatie te krijgen over het vermoeden van huiselijk geweld/ kindermishandeling.
Stap 4: Het wegen van de ernst van de signalen
Op basis van de stappen 1 tot en met 3 wordt beoordeeld of er sprake is van geweld of kindermishandeling. Is er een vermoeden van acute of structurele onveiligheid? Als er geen vermoeden is, stopt het proces. Als er wel een vermoeden is, gaan we verder met stap 5.
Stap 5: Het nemen van een beslissing
Er zijn twee mogelijkheden:
Melden bij Veilig Thuis is noodzakelijk bij acute onveiligheid en structurele onveiligheid.
De hulp wordt niet direct overgedragen, maar wordt samen met Veilig Thuis ingezet.
School verleent hulp of organiseert hulp. Hierbij kan de ondersteuningscoördinator hulpverlening organiseren, maar de ondersteuningscoördinator kan ook meewerken aan geboden/georganiseerde hulp. De hulpverlening moet leiden tot duurzame veiligheid.
Als hulpverlening op voorgaande punten niet mogelijk is, wordt melding gemaakt bij Veilig Thuis.
De ondersteuningscoördinator doet de melding bij Veilig Thuis, www.veiligthuis.nl.De hulp wordt niet direct overgedragen, maar wordt samen met Veilig Thuis ingezet. Ouder(s)/verzorger(s) moeten op de hoogte zijn van de zorgmelding, maar hoeven niet om toestemming gevraagd te worden.
Meldplicht bij seksueel misbruik
De Wet bestrijding seksueel misbruik en seksuele intimidatie in het onderwijs wordt ook wel de Meld-, overleg- en aangifteplicht genoemd. Deze wet verplicht alle medewerkers die het vermoeden hebben van, of informatie krijgen over, een mogelijk zedendelict door een medewerker van de school jegens een minderjarige leerling onmiddellijk door te geven aan het bevoegd gezag. Deze wet bestaat al sinds 1999. Het proces bestaat uit de volgende stappen:
Stap 1: Vermoeden of in informatie over een zedendelict
Een medewerker van een onderwijsinstelling heeft het vermoeden van, of informatie over, een zedendelict, gepleegd door een medewerker van de school jegens een minderjarige leerling.
Stap 2: Melden bevoegd gezag
De medewerker meldt dit aan het bevoegd gezag, het College van Bestuur. In overleg met de medewerker wordt de informatie eventueel ook gedeeld met de rector en/of de teamleider.
Stap 3: Overleg met vertrouwensinspecteur
Het bevoegd gezag overlegt met de vertrouwensinspecteur. Deze inspecteur luistert, adviseert en verwijst indien nodig door naar de zedenpolitie. Overleg gebeurt in het geval van het (vermoeden van) seksueel misbruik en/of het (vermoeden van) seksuele intimidatie.
Stap 4: Uitkomst overleg
Wanneer er een redelijk vermoeden is van een strafbaar feit, volgt stap 5.
Stap 5: Infomeren
Het bevoegd gezag informeert (ouders van) klager en aangeklaagde dat aangifte wordt gedaan.
Stap 6: Aangifte
Het bevoegd gezag doet aangifte bij justitie of politie.
